Contacteer ons
Tel:
winkelwagen
0 items - 0,00

Stilte op de set en… ACTIE!

Stilte op de set en… ACTIE!

12jan

12 januari vandaag. Kan ik jullie nog een gelukkig nieuwjaar wensen nu de kerstboom al werd buiten gedragen, de kerstverlichting netjes op zolder ligt en de wenskaarten van de schoorsteen zijn gehaald? Ik denk het wel. Het leven vier je niet alleen op 1 januari. Dat doe je elke dag.

 

Ja. Ik denk nog vaak terug aan die bewuste eerste januari – nu drie jaar geleden. Maar even goed aan de dagen ervoor en erna. Het is een beetje als een film die telkens opnieuw in première gaat. Alleen zonder rode loper en over het genre van die film ben ik nog niet uit. De beroerte zelf, dat was pure horror. Ik moest de controle lossen. Mijn lichaam nam het van mij over. Ik herinner me dat ik in de zetel lag, met mijn benen omhoog – zoals ik netjes gedicteerd kreeg door een vriendin/verpleegkundige. Haar stem was het enige rustpunt in de chaos rondom mij. Er was paniek. Zeker toen ik mijn ledematen één voor één voelde uitschakelen of toen ik wat wilde zeggen en de klanken die ik uitstootte nergens meer op sloegen. Toch kreeg mijn film pas echt Hitchcock-gehalte in het ziekenhuis. Ik werd binnengerold op de spoedgevallendienst – op oudejaarsnacht – als het zoveelste geval van overmatig drank- of drugsgebruik. Er werd bloed geprikt. Ik wilde duidelijk maken dat de enige bubbels die ik die avond gedronken had afkomstig waren van een bruisende Dafalgan. Maar ik kon alleen staren naar de klok. Naar het vreselijk enge licht van de tl-buis boven mij. Naar het verbijsterde gezicht van Istvan, mijn partner. Naar mijn tenen en vingers. Naar mijn lichaam dat aanvoelde als lood en toch wilde rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan. Heel onwezenlijk allemaal. Pas nadat het schuim op mijn lippen stond, ik mezelf had onder geplast en ze mijn bloeduitslag onder ogen kregen, zag ik de angst gloeien in de ogen van het medische team. In no-time lag ik onder de scanner voor verder onderzoek. Daarna werd ik verder gerold naar de stroke unit. Daar heb ik nog even gesproken tegen Istvan: “Ik ben moe. Ga ook naar huis om te slapen. Ik zie je straks wel.

 

Ik wilde vooral mijn armen rond Tijs gooien en hem vertellen dat alles goed ging komen, maar ik kon geen van beide. Ik zat in de val. Opgesloten in mijn eigen lichaam.

Het scenario van de dagen na mijn beroerte hadden meer weg van een drama. Zo eentje dat je keer op keer naar de keel grijpt. Daar lag ik dan. Vastgenageld aan een ongemakkelijk ziekenhuisbed met allerlei slangetjes en draadjes, verbonden met piepende machinerie en druppelende zakjes. Ik zat met zoveel vragen. Een hersenstaminfarct! Hoe kon dat nu? Ik rookte niet, ik dronk nauwelijks, ik had geen overgewicht, geen hoge cholesterol, geen suiker, geen hoge bloeddruk, geen langdurige negatieve stress. Geen nare spanningen in mijn relatie. Ik had al jaren een job die ik wel leuk vond. Mijn leven was fantastisch – een echte chick flick waardig – en met een zoontje als Tijs erbij leek mijn geluk wel eindeloos. Hoe kwam ik in godsnaam aan een beroerte? Ging ik dood? Waarom moest mij dit overkomen? Ik schreeuwde in stilte toen ik anderen hoorde praten over mij, niet tegen mij. Over hoe ik me waarschijnlijk wel moest voelen. Over hoe het verder moest. Soms zaten ze er zo ver naast. Ik wilde vooral mijn armen rond Tijs gooien en hem vertellen dat alles goed ging komen, maar ik kon geen van beide. Ik zat in de val. Opgesloten in mijn eigen lichaam.

 

Bloopers

Ik heb ook geluk gehad. Geluk dat mijn familie en vrienden hun verwachtingen nooit hebben bijgesteld naar wat de dokters hen vertelden. Zij zagen de stille tranen die langs mijn wangen bolden. Zij voelden de vechtlust in mijn adem. Zij namen de tijd om te luisteren naar het knipperen van mijn ogen. Naar boven voor ‘ja’, naar beneden voor ‘neen’. Dit is mijn redding geweest. Eindelijk kon ik laten weten dat ik het te warm had. Dat mijn neus al uren jeukte. Dat mijn kussen niet goed lag. Dat ik me zorgen maakte om Tijs. Dat ik de dokters ongelijk wilde geven. Dat ik ook weleens wilde lachen, de hele situatie relativeren. En dat hebben we gedaan. Veel. Tot we niet meer bijkwamen. Woordspelingen die opeens vreemd gingen klinken. Situaties die soms heel onwennig waren– zowel voor mij als voor hen. Ze maakten van mijn film – zonder het tragische aspect ervan te verdoezelen – vaak een komedie. Gelukkig maar, want die humor heeft er mee voor gezorgd dat ik vandaag kilometers verder sta dan waar de medische wereld mijn finishlijn had getrokken.

Mijn leven wordt vast nooit meer zoals vroeger. Daarvoor is er te veel gebeurd. Negatief, maar ook positief. Ik geniet van elk moment. Bewuster dan ooit. Ik weet nu wie mijn vrienden zijn. Op wie ik kan rekenen. Ik heb zoveel fijne en interessante mensen leren kennen. Ik heb mijn eigen webshop. Iets waarvoor ik voorheen misschien nooit het ‘lef’ had gehad. Een happy ending, denk je? Niets van. Mijn verhaal gaat gewoon verder…